Personen

Willibrord Kerzmann is volgens de site oorlogsdodennijmegen.nl een oorlogsdode ten gevolge van Operatie Black Tulip.

Alhoewel kamp Mariënbosch in Nijmegen gevestigd was en er volgens de overheid een onbekend aantal Duitsers zijn overleden tijdens hun internering en uitzetting aldaar, is Willibrord Kerzmann schijnbaar het enig erkende dodelijk slachtoffer van deze operatie.

Zijn dood was in oktober 1947 voorpagina nieuws in diverse kranten. In de Tweede Kamer werden hierover vragen gesteld aan de Minister van Justitie. Willibrord was ten tijde van zijn deportatie 68 jaar oud, had decennia in Nederland gewerkt als mijnwerker en had daar de ernstige ziekte silicose aan overgehouden. Op 29 september 1947 werd hij met zijn vrouw (en een groep andere Duitsers) door de Nederlandse politie om 6:00 ’s ochtends opgepakt om te worden gedeporteerd. Hij verkeerde in dusdanig slechte gezondheid dat hij reeds was bediend. Alhoewel de politie op de hoogte was van zijn slechte conditie, werd hij desondanks gedeporteerd naar Nijmegen. Hij stierf tijdens deze deportatie op een open vrachtwagen.

Sectie door een arts in het ziekenhuis in Nijmegen wees uit dat Willibrord Kerzmann absoluut niet vervoerd had mogen worden gezien zijn slechte conditie. De officier van justitie te Maastricht weigerde in december 1947 de zaak grondig te onderzoeken, ondanks het dringende verzoek daartoe door zijn nabestaanden.

Het dossier van Willibrord Kerzmann is van vele honderden dossiers van zeer discutabele deportaties het enige dossier dat destijds openbaar is gemaakt. Opmerkelijk is dat het Nationaal Archief momenteel volgens eigen zeggen niet over informatie over Willibrord Kerzmann beschikt.

Familieleden van Willibrord Kerzmann hebben in 2012 een WOB verzoek ingediend bij de gemeente waar hij woonachtig was, om alle informatie over de voorbereiding en uitvoering van zijn deportatie ter inzage te krijgen. De gemeente stelde in reactie daarop dat deze informatie nooit had bestaan of reeds lang geleden verloren was gegaan. In 2013 kregen de familieleden echter een boek uit het jaar 2008 in handen waarin dankbaar gebruik was gemaakt van de authentieke en officiële documenten uit het gemeentearchief over de deportatie van Willibrord Kerzmann. De archivarissen van de gemeente hadden de auteur toestemming gegeven voor publicatie van deze documenten.

De persoonskaart van Willibrord Kerzmann is vervalst na zijn tragisch overlijden. Op de vervalste persoonskaart is te lezen dat hij gepensioneerd was en de datum van zijn deportatie is verwijderd van de persoonskaart. Enig verband tussen Operatie Black Tulip en zijn overlijden is zodoende niet meer terug te vinden op de persoonskaart.

Tot op heden krijgen zijn familieleden geen inzage in zijn dossier. De gemeente heeft tot nu toe aan de familieleden niet kunnen uitleggen waarom zij volgens de gemeente geen recht op inzage hebben in informatie over de voorbereiding en uitvoering van zijn deportatie en waarom de gemeente deze informatie doelbewust blijft achterhouden.

Onderstaand stuk is gepubliceerd in de Volkskrant van 9 oktober 1947:

PAULINE was de dochter van een Nederlandse moeder en een Duitse vader die na de Eerste Wereldoorlog naar Nederland was gekomen. Pauline is inmiddels overleden. Het volgende verhaal is reeds in 1998 door haarzelf opgetekend.

Zij herinnert zich:
Het was zo tegen eind mei 1945. Midden in de nacht wekte mijn moeder ons. In huis hoorde ik vreemde geluiden; stemmen, gestommel, luide voetstappen, mannen schreeuwden en liepen rond. Moeder kleedde ons aan, ik was 10 en mijn zus was 8 jaar oud. Toen we de trap af kwamen werden de mannen rustig, het waren Amsterdamse politieagenten. Ik droeg een kleine koffer, die wellicht al klaar had gestaan en wij stapten in de politieauto, moeder, vader en de beide kinderen. We reden naar een terrein dat ik niet kende, het rook er naar water. Het was de Levantkade, daar stonden barakken, het was een kamp.

Wij stonden daar met zeer veel mensen in lange rijen, mannen en vrouwen gescheiden, kinderen bij hun moeder. Het was nog steeds donker. Iemand schreeuwde dat men de koffers niet op de grond neer mocht zetten. Mijn moeder zei: “Je kunt de koffer rustig neerzetten”, maar dat deed ik niet. Toen kwamen we in een grote donkere ruimte, die door een raster onderverdeeld was, de bodem was met stro bedekt, daar werd ons een plaats toegewezen. Wij gingen liggen en wachtten.

’s Ochtends kregen wij stukjes brood met water. Buiten kon men zich wassen aan een lange goot met waterkranen. Drie jonge vrouwen, wellicht 18 of wellicht 28 jaar oud, bewaakten ons. Twee zagen er uit als filmsterren, met lang blond krullend haar en zij droegen korte bontjasjes van tijger of luipaard. In mijn ogen waren die echt. Hun gedrag heeft diepe indruk op mij gemaakt, dat men zo mooi kon zijn en tegelijkertijd zo slecht en gemeen (veel later drong het tot mij door dat zij waarschijnlijk tot de Binnenlandse Strijdkrachten behoorden, het gewapende verzet). Toen we een keer buiten waren om ons te wassen zagen we, hoe handen boven de scheidingswand in de hoogte werden gestrekt en hoorden we mannen achter deze wand “honger, honger” roepen. Mijn moeder heeft toen een stuk brood over de scheidingswand gegooid. Voor straf kreeg ze drie oorvijgen.

Na enkele dagen kwamen Canadese soldaten het kamp inspecteren. Zij waren verontwaardigd over de omstandigheden en zeiden dat zij niet hierheen gekomen waren om vrouwen en kinderen te bewaken, dat vertelde onze moeder ons. Vanaf dat moment kregen wij sneetjes brood en melk en ook wat boter en jam. Hoe lang we in dit kamp werden vastgehouden, weet ik niet precies. De dagen waren zeer saai. Er waren niet veel kinderen van onze leeftijd, de meesten waren jonger of nog baby. Af en toe werden de grote schuifdeuren geopend en dan kon ik de mannen zien, zij moesten snel lopen en als kikkers springen. De bewakers schreeuwden hard, het geheel was angstaanjagend, zodat ik weer snel naar binnen ging. Op een dag werden mijn zus en ik door de politie opgehaald en aan een oom overgedragen, die ons mee naar Groningen nam. Aan mijn moeder werd niet verteld waar wij naartoe gebracht werden, dat behoorde tot haar straf –of het was enkel haar treiteren en vernederen, omdat haar man een Duitser was.

Veel later vernamen wij, dat de slager die bij ons om de hoek woonde en een grote familie had, het op onze woning voorzien had. Indertijd hoefde men enkel maar naar de politie te gaan en te zeggen: “Daar wonen Duitsers”. Dat was al genoeg. Het was maar goed dat deze slager gedurende de bezetting niet wist, dat wij joodse onderduikers verborgen…

Mijn moeder kwam enige tijd na ons vrij, mijn vader werd nog wat langer in het kamp op de Levantkade vastgehouden, net zoals de NSB-ers en andere collaborateurs of ook eenvoudige ambachtslieden die voor de bezetter gewerkt hadden.

In 1947 werden we opnieuw gearresteerd. Vanuit Tilburg, waar we toen woonden, werden wij via Amsterdam naar een kamp bij Nijmegen vervoerd. Daar waren allemaal Duitsers bijeengebracht. Er waren Limburgers, die wisten niet eens dat zij eigenlijk Duitsers waren. Wij konden kiezen of wij naar de Engelse of Franse bezettingszone in Duitsland gedeporteerd zouden worden, de Russische zone was geen optie en de Amerikaanse zone was gesloten- en mijn vader zou naar Beieren zijn gegaan, waar hij vandaan kwam. Op advies van een katholieke pater lieten mijn ouders zich scheiden, zo kon mijn moeder met ons kinderen (alhoewel wij door onze vader de Duitse nationaliteit hadden) in Nederland blijven. Mijn vader kreeg uiteindelijk een visum voor Argentinië, waar zijn twee broers woonden. Twee jaar later hertrouwden mijn ouders, op afstand. Alvorens wij onze vader na konden reizen is hij gestorven.